Koninklijk besluit 3-7-1996

Résumé: Numac tekst: 2020201668

De hierna vermelde bijlagen kan u terugvinden in de tabel met bijlagen die zich onder de inhoudstafel bevindt:
Verlag aan de Koning
Advies Raad van State
Bijlagen 2, 3 en aanvraag inschrijving GVU

Note: Met volledige historiek.

Tekst bijgewerkt tot: B.S. 23-1-2024
Numac: 2023206779


C. Opgeheven door: K.B. 25-4-14 - B.S. 2-6 - art. 5

Art. 172.

[In voorkomend geval komt de afdeling van de Hoge commissie bijeen op verzoek van de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit als die zich in de onmogelijkheid bevindt om overeenkomstig artikel 171 een beslissing te nemen.]

Art. 173.

[ In de afdeling van de Hoge commissie bespreken de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, en, naargelang het geval, de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team, de staat van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 100 van de gecoördineerde wet van de gerechtigde.

Nadat de bijeenkomst van de afdeling van de Hoge commissie heeft plaatsgevonden, neemt de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, een beslissing over de al dan niet erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde.

Indien de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, zich echter na de bijeenkomst van de afdeling van de Hoge commissie nog steeds in de onmogelijkheid bevindt om een beslissing te nemen over de al dan niet erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde, vraagt hij dat er wordt overgegaan tot een medisch onderzoek van deze gerechtigde door een andere arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit.]

Art. 174.

[De beslissingen van de afdeling van de Hoge commissie worden met eenparigheid van stemmen genomen.

Als er geen eenparigheid wordt bereikt, zendt de afdeling van de Hoge commissie het dossier, aangevuld met een gemotiveerd verslag, aan de Hoge commissie, die bij gewone meerderheid beslist.

In geval van verdeeld advies, kan de afdeling van de Hoge commissie vragen dat er wordt overgegaan tot een lichamelijk onderzoek van de gerechtigde door een andere [arts] van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit.

In dat geval onderzoekt die andere [arts] de gerechtigde en stelt een omstandig verslag op, dat hij aan de Hoge commissie zendt, die bij gewone meerderheid beslist.

Het lichamelijk onderzoek van de gerechtigden die niet gedomicilieerd zijn op het grondgebied van het tweetalige Brussels Hoofdstedelijk Gewest, kan in een van de provinciale zetels van het RIZIV worden verricht, afhankelijk van de woonplaats van die gerechtigden of van de mogelijkheid voor laatstgenoemden om zich te verplaatsen.

Indien de gezondheidstoestand van de gerechtigde het vereist, kan het lichamelijk onderzoek ook bij hem thuis worden uitgevoerd.

Wanneer er wordt overgegaan tot een lichamelijk onderzoek overeenkomstig het derde lid, wordt de staat van arbeidsongeschiktheid geacht te zijn erkend tot het ogenblik waarop een beslissing wordt genomen waarin met de uitslag van dat onderzoek wordt rekening gehouden.]

Art. 175.

§ 1. [De Hoge commissie heeft als opdracht :

haar huishoudelijk reglement, alsmede dat van haar afdelingen, op te maken;

volgens de bij haar huishoudelijk reglement bepaalde modaliteiten een aanwezigheidsrol van haar werkende en plaatsvervangende leden op te maken;

te waken over de goede werking van de afdelingen van de Hoge commissie; ter vervulling van die opdracht, kan zij één of meer van haar leden afvaardigen om de zittingen van de afdelingen van de Hoge commissie bij te wonen en om over haar bedrijvigheid verslag uit te brengen;

overeenkomstig artikel 82, eerste lid, 5°, van de gecoördineerde wet, een onderzoek te voeren naar de gegevens over de arbeidsongeschiktheid die door de verzekeringsinstellingen zijn doorgegeven volgens de modaliteiten en binnen de termijn bepaald door het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen;

in geval van verdeeld advies van de afdeling van de Hoge commissie, uitspraak te doen over de staat van invaliditeit van de gerechtigden in de zin van artikel 100 van de gecoördineerde wet, en de duur ervan te bepalen, onverminderd de toepassing van artikel 94, tweede lid, van de gecoördineerde wet;

[Opgeheven door: K.B. 31-1-2017 - B.S. 10-2 - art. 3]

in geval van verdeeld advies van de afdeling van de Hoge commissie, uitspraak te doen over de erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid van gerechtigden die een werkzaamheid hebben verricht zonder de in artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet bedoelde toelating en die zich tijdens het in artikel 101, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wet bedoelde medisch onderzoek in een tijdvak van invaliditeit bevinden;

op voorstel van de adviserend [arts] de tenlasteneming door de uitkeringsverzekering van de programma's van beroepsherscholing, bedoeld in artikel 215quater, ten gunste van de rechthebbenden van de uitkeringsverzekering toe te staan;

op voorstel van de adviserend [arts], onder de in artikel 215quinquies bepaalde voorwaarden, de tenlasteneming door de uitkeringsverzekering toe te staan van de kosten die samenhangen met de effectieve integratie van de rechthebbende na een programma van beroepsherscholing;

10° een kwaliteitscontrole van de voorstellen van de adviserend [arts] uit te voeren en de dossiers van de gerechtigden waarvoor zij na een dergelijke controle oordeelt dat een nieuw onderzoek van het dossier noodzakelijk is, aan de bevoegde afdeling van de Hoge commissie te verzenden;

11° de adviserend [arts] te verzoeken elk verslag dat ze nuttig acht dringend op te maken en haar toe te sturen;

12° overeenkomstig artikel 82 van de gecoördineerde wet te adviseren over de kwesties met betrekking tot het tijdvak van invaliditeit, welke haar hetzij door de Minister, hetzij door het Beheerscomité of door de Leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen, hetzij door de verzekeringsinstellingen worden voorgelegd; dit advies moet worden uitgebracht binnen de maand na de datum waarop het wordt ingewonnen;

13° samen te werken met het in artikel 23 van de gecoördineerde wet bedoelde College van [artsen-directeurs], door het ervan in kennis te stellen welke gerechtigden in aanmerking kunnen komen voor revalidatie en het alle inlichtingen te verschaffen die het ter uitoefening van zijn opdracht aanvraagt;

14° het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen elk kwartaal verslag uit te brengen over de werking van de Geneeskundige raad voor invaliditeit;

15° het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen jaarlijks verslag uit te brengen over haar werkzaamheden bedoeld in 8° en 9°.

§ 2. De Hoge commissie kan in het kader van haar in § 1, 5°, 6°, 7°, 8° en 9° bedoelde opdrachten vragen dat er wordt overgegaan tot een lichamelijk onderzoek van de gerechtigde door een andere [arts] van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, voor zover dat onderzoek niet is aangevraagd door de afdeling van de Hoge commissie in toepassing van artikel 174, derde lid.

In dat geval onderzoekt die andere [arts] de gerechtigde en maakt een omstandig verslag op dat hij aan de Hoge commissie zendt, die bij gewone meerderheid beslist.

Het lichamelijk onderzoek van de gerechtigden die niet gedomicilieerd zijn op het grondgebied van het tweetalige Brussels Hoofdstedelijk Gewest kan in een van de provinciale zetels van het RIZIV worden verricht, afhankelijk van de woonplaats van die gerechtigden of van de mogelijkheid van laatstgenoemden om zich te verplaatsen.

Indien de gezondheidstoestand van de gerechtigde het vereist, kan het lichamelijk onderzoek ook bij hem thuis worden uitgevoerd.

Wanneer er wordt overgegaan tot een lichamelijk onderzoek overeenkomstig § 2, eerste lid, wordt de staat van arbeidsongeschiktheid geacht te zijn erkend tot het ogenblik waarop een beslissing wordt genomen waarin met de uitslag van dat onderzoek wordt rekening gehouden.

Art. 176.

De [arts] van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, de afdeling van de Hoge commissie evenals de Hoge commissie, kunnen op elk ogenblik en buiten de situaties bedoeld in artikel 174, derde lid en artikel 175, § 2, eerste lid, vragen dat er wordt overgegaan tot een lichamelijk onderzoek van de gerechtigde door een andere [arts] van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, als de elementen die in het medisch dossier voorkomen, het rechtvaardigen.

In dat geval onderzoekt die andere [arts] de gerechtigde en stelt een omstandig verslag op, dat hij aan de Hoge commissie zendt, die bij gewone meerderheid beslist.

Het lichamelijk onderzoek van de gerechtigden die niet gedomicilieerd zijn op het grondgebied van het tweetalige Brussels Hoofdstedelijk Gewest, kan in een van de provinciale zetels van het RIZIV worden verricht, afhankelijk van de woonplaats van die gerechtigden of van de mogelijkheid voor laatstgenoemden om zich te verplaatsen.

Indien de gezondheidstoestand van de gerechtigde het vereist, kan het lichamelijk onderzoek ook bij hem thuis worden uitgevoerd.

Wanneer er wordt overgegaan tot een lichamelijk onderzoek overeenkomstig het eerste lid, wordt de staat van arbeidsongeschiktheid geacht te zijn erkend tot het ogenblik waarop een beslissing wordt genomen waarin met de uitslag van dat onderzoek wordt rekening gehouden.


Fichiers annexes

AnnexeEn vigueur le
* Bijlage 01/08/2021
Bijlage 01/10/2014
Bijlage 10/08/1996
* Bijlage -art10 04/12/2018
* Bijlage 2 21/07/2022
Bijlage 2 10/08/1996
* Bijlage 3 10/08/1996
* art10nonies-1 08/03/2010
* art10octies-1 - 10octies-2 08/03/2010
* art122octies-1-122octies-8 01/12/2017
* art122octies-bis 01/01/2023
art122octies-bis 01/05/2017
art122octies-bis 01/06/2015
art122octies-bis 01/01/2008
* art122octiessemel-art122octiesquater 01/04/2017
art122octiessemel-art122octiesquater 01/06/2015
art122octiessemel-art122octiesquater 01/01/2008
* art122quinquies-decies-1-art122122quinquies-decies-3 01/04/2019
art122quinquies-decies-1-art122122quinquies-decies-3 01/01/2019
art122quinquies-decies-1-art122122quinquies-decies-3 19/07/2018
art122quinquies-decies-1-art122122quinquies-decies-3 29/06/2014
* art122tervicies-art122octovicies 01/08/2021
* art189-1 31/12/2015
* art203-1 02/08/2022
art203-1 01/05/2017
* art205-1 02/08/2022
art205-1 01/05/2017
* art206-1 01/05/2017
* art206-1-art206-2 02/08/2022
* art207-1-art207-2 02/08/2022
art207-1-art207-2 01/05/2017
* art212 01/08/2022
art212 22/08/2019
* art213-1 01/07/2021
art213-1 01/01/2021
* art215bis 01/07/2021
art215bis 19/07/2018
art215bis 01/10/2017
* art215octies-art215septiesdecies 01/09/2022
art215octies-art215septiesdecies 01/01/2022
* art215octies-art215sexiesdecies 12/06/2017
art215octies-art215sexiesdecies 01/12/2016
* art237bis-1 01/07/2021
art237bis-1 08/06/2019
* art295quinquies-1-295quinquies-4 16/06/2014
* Verslag aan de Koning 16/08/2013
* rvs 16/08/2013